ebooks38

Eerste deel
SANS-EAR DE WOUDLOPER

1. De man zonder oren

Sedert de vroege morgen had ik een heel eind afgelegd. Ik voelde mij nu enigszins vermoeid en had last van de felle stralen der zon, die in het zenit stond. Daarom besloot ik rust te nemen en in die tijd te eten. In opeenvolgende bodemgolven strekte de prairie zich voor mij uit tot in de oneindige verte. Er was geen beek of enig ander water in de omtrek, evenmin als een bos of struikgewas. Ik behoefde dus niet kieskeurig te zijn en kon halt houden waar het mij beliefde. Ik sprong af in een dal tussen twee bodemgolven, bond mijn lasso om de poten van mijn mustang, nam de deken van zijn rug en klom de lage bodemrug op om daar te gaan zitten. Mijn paard moest beneden blijven, zodat het ingeval van een vijandelijke benadering niet opgemerkt zou worden. Ikzelf moest het hogere punt kiezen om de omgeving te kunnen overzien, terwijl ik, als ik languit ging liggen, niet zo gemakkelijk zichtbaar zou zijn.

Er waren voor mij goede redenen om zo voorzichtig te handelen. Na mijn terugkeer naar de States enkele weken tevoren, was ik met een groep van elf man van de oever van de Platte op weg gegaan om door het oostelijk gedeelte van het Rotsgebergte naar Texas en New Mexico te trekken en Winnetou weer op te zoeken. In diezelfde tijd hadden de verschillende stammen der Sioux hun dorpen verlaten omdat enige van hun krijgers door blanken waren gedood en zij nu wraak wilden nemen. Wij wisten het, maar vielen, ondanks alle voorzichtigheid, in handen van de Ogellalla’s, na een zware, bloedige strijd waarbij vijf van ons het leven lieten. Ik had mijzelf en de anderen echter weten te bevrijden, waarna wij ons over de prairie verspreid hadden om de achtervolgers te ontgaan.

Daar de Indsmen aan mijn spoor dat ik niet helemaal had kunnen uitwissen, wel hadden gezien dat ik naar het zuiden reed, was het met zekerheid aan te nemen dat zij mij als belangrijkste ontsnapte zouden achtervolgen. Het was dus geboden de ogen open te houden.

Ik ging liggen, haalde een stuk gedroogd buffelvlees te voorschijn, wreef het met kruit in bij gebrek aan zout en probeerde het met mijn tanden zo te bewerken dat het mij mogelijk zou zijn deze leerachtige substantie naar binnen te krijgen.

Daarna nam ik een van mijn zelf gemaakte sigaren, stak er de brand in en blies de rookkringen uit met een welbehagen, alsof ik een planter uit Virginia was en de met zijden handschoenen geplukte bladeren van de beste goosefoot rookte.

Ik had nog niet lang zo op mijn deken gelegen, toen ik zonder enige opzet achterom keek en aan de rand van mijn gezichtsveld een punt in het oog kreeg, dat schuins op mijn weg recht op mij toekwam. Ik liet me zover naar beneden glijden dat mijn lichaam door de hoogte volkomen verborgen werd en sloeg de gestalte gade, waarin ik allengs een ruiter onderscheidde, die op Indiaanse wijze ver voorover op zijn paard hing.

Toen ik hem voor het eerst gewaar werd, was hij nog twee tot drie kilometer van mij verwijderd. Zijn paard stapte echter in zo’n langzame wandelpas dat het bijna een half uur over een mijl deed; het scheen een waardeloos dier te zijn.

De ruiter was een blanke. Hij had een kleine, schrale gestalte en droeg een oude vilthoed zonder rand, iets dat in de prairie niet behoefde op te vallen, in dit geval echter een gebrek aan het licht bracht dat mij bijzonder opvallend voorkwam: de man had namelijk geen oren. De plaatsen waar zij zich moesten bevinden, vertoonden de sporen van een gewelddadige behandeling. Ze waren afgesneden. Om zijn schouders hing een enorm zware deken waardoor zijn bovenlijf volkomen bedekt werd en zijn magere benen bijna niet te zien waren. Hij had zulke eigenaardige laarzen aan, dat men er in Europa zeker om gelachen zou hebben. Ze waren namelijk van de soort die de gaucho’s in Zuid-Amerika plegen te vervaardigen en te dragen. Van een paardenpoot zonder hoef wordt de huid afgetrokken; men steekt de voet erin zolang de huid nog warm is en laat deze zo afkoelen. De huid sluit dan precies om de voet en het been en vormt zo een voortreffelijke voetbekleding die de eigenschap bezit iemand op zijn eigen voetzolen te laten lopen. De onbekende had aan zijn zadel een ding hangen dat een buks moest voorstellen, maar er meer uit zag als een knuppel. Zijn paard was een oude merrie met poten als van een kameel en waarvan de staartharen volledig ontbraken.

Haar kop was onevenredig groot en ze had zulke lange oren dat ze iemand schrik zouden aanjagen. Het dier zag er uit alsof het uit verschillende lichaamsdelen van paard, ezel en dromedaris was samengesteld. Het boog onder het lopen de kop diep naar de grond en liet daarbij zijn oren langs zijn kop hangen als een Newfoundlander, alsof ze hem te zwaar waren.

Onder andere omstandigheden of als een greenhorn, zou men hebben gelachen om paard en ruiter, mij echter scheen deze man, ondanks zijn zonderling uiterlijk, een van die prairiejagers toe, die men moet leren kennen om hen op hun waarde te kunnen schatten.

Nu was hij tot op een afstand van een vijftig meter genaderd en had mijn spoor bereikt. Wie het het eerst opmerkte, hij of zijn paard, kon ik niet zeggen. Wel zag ik duidelijk dat de merrie uit zichzelf bleef stilstaan, haar kop nog dieper boog dan voorheen en naar het voetspoor van mijn mustang tuurde, terwijl ze ijverig met haar lange oren klapperde; ze gingen nu eens op en neer, kwamen dan naar voren en legden zich in haar nek, zodat het leek alsof ze door een onzichtbare hand uit haar kop gedraaid zouden worden. De ruiter wilde afstijgen om het spoor zorgvuldig te onderzoeken. Zo zou hij voor niets tijd verliezen, dus voorkwam ik dit met mijn uitroep: ‘Hallo, man! Blijf in het zadel en kom wat dichterbij!’ Ik had nu mijn positie zo gewijzigd dat hij mij kon zien. Zijn merrie hief meteen de kop op en stak haar oren recht vooruit alsof ze mijn roep als een bal wilde opvangen, en kwispelde daarbij met de korte kale staartstomp.

‘Hallo, sir,’ antwoordde de man, ‘neem u in ’t vervolg in acht en brul wat zachter. Op deze oude weide hier kun je nooit weten of er hier of daar geen oren zijn die niets behoeven te horen. Kom, Tony!’

Op deze aansporing zette de merrie haar ellenlange poten in beweging en bleef toen uit zichzelf staan bij mijn mustang, die zij na een hautaine en boosaardige blik dat lichaamsdeel toedraaide, dat men bij een schip de achtersteven pleegt te noemen. Zij was blijkbaar een van die rijdieren die – geen zeldzaamheid in de prairie – alleen voor hun baas leven, tegenover ieder ander echter zich zo weerspannig betonen dat ze voor deze onbruikbaar zijn.

‘Ik weet precies hoe luid ik praten mag!’ gaf ik hem ten antwoord. ‘Vanwaar komt u en waarheen gaat u, sir?’

‘Dat gaat u verduiveld weinig aan!’ antwoordde hij.

‘Vindt U? Overbeleefd bent u niet. Dat getuigschrift kan ik u nu al zonder gewetensbezwaren geven, hoewel wij nauwelijks enige woorden met elkaar hebben gewisseld. Toch wil ik u in alle oprechtheid bekennen dat ik gewend ben antwoord te krijgen als ik iets vraag.’

‘Hm, ja. U schijnt mij in elk opzicht een zeer voornaam gentleman toe,’ beweerde hij, met een geringschattende blik op mij.

‘Daarom zal ik u meteen de verlangde inlichting geven!’ Hij knikte achter zich en daarna voor zich uit. ‘Daar kom ik vandaan en daar wil ik naar toe.’

De man begon mij in de smaak te vallen. Het was duidelijk dat hij mij voor een zondagsjager aanzag, die van zijn gezelschap was afgedwaald. De echte prairieloper geeft niets om zijn uiterlijk en koestert een zichtbare afkeer tegen alles wat er goed verzorgd uitziet. Wie jarenlang in het Wilde Westen rondzwerft, ziet er wat zijn kleding betreft niet op zijn paasbest uit en vermoedt in een ieder die er keurig uitziet, een greenhorn, aan wie niets van belang is toe te vertrouwen. Ik had mij in Fort Randall van nieuwe kleren voorzien en was van oudsher gewend mijn wapens glimmend te houden, twee omstandigheden die er niet toe bijdroegen dat ik door een savanneloper voor vol word aangezien. Daarom nam ik het vreemde mannetje zijn kortaangebonden houding niet kwalijk en knikte nu, evenals hij, voor me uit. ‘Maak dan maar dat u “daarheen” komt.’

‘Nou, nou, wie bent u eigenlijk wel, dat u denkt mij te kunnen bevelen?’

‘Ik schrijf boeken.’

‘U… schrijft… boeken…?’ Verbluft deed hij een stap achteruit en trok een deels bedenkelijk, deels medelijdend gezicht. ‘Bent u ziek, sir?’ De ruiter zonder oren wees op zijn voorhoofd zodat ik precies kon weten welke ziekte hij bedoelde.

‘Nee!’ antwoordde ik.

‘Niet? Dan kan een beer u misschien begrijpen, maar ik niet! Ik schiet een buffel omdat ik moet eten. Om welke reden schrijft u boeken?’

‘Opdat ze gelezen zullen worden.’

‘Neem me niet kwalijk, sir, maar dat is de grootste dwaasheid die er bestaat! Wie boeken wil lezen, kan ze wat mij betreft zelf schrijven, dat kan toch een kind inzien. Ik schiet toch ook geen wild voor anderen! Hm, zo, u bent dus een book-maker? Maar waarvoor komt u dan in de savanne, hè? Wilt u hier misschien boeken schrijven?’

‘Dat doe ik pas als ik weer thuis ben. Dan verhaal ik alles wat ik beleefd en gezien heb, en duizenden mensen lezen het en weten dan hoe het in de savanne toegaat, zonder dat zijzelf naar de prairie behoeven te trekken.’

‘Dan schrijft u misschien ook over mij?’

‘Natuurlijk!’

Hij deed nog een stap achteruit. Toen kwam hij tot vlak voor me, greep met zijn rechterhand het heft van zijn bowiemes vast en met zijn linker mijn arm. ‘Sir, daar staat uw paard! Ga erop zitten en maak dat u wegkomt, als u niet wilt dat een eind koud scherp staal u tussen de ribben glijdt! Bij u zou een mens geen woord kunnen zeggen en geen arm bewegen zonder dat de hele wereld het wist. De duivel hale u. Hoepel zo snel mogelijk op!’ De kleine man reikte me juist tot aan de schouder en desondanks was zijn bedreiging hem ernst. Dit amuseerde mij zonder dat ik het hem liet merken.

‘Ik beloof u, alleen maar goeds van u te schrijven,’ zei ik sussend.

‘U gaat! Ik heb het gezegd en daarmee basta!’

‘Dan geef ik u mijn woord dat ik helemaal niet over u zal schrijven.’

‘Helpt niet! Wie gaat zitten om voor andere mensen boeken te maken, is gek en een gek zal nooit zijn woord houden. Dus, ingerukt, man, anders loopt bijvoorbeeld mijn gal over en doe ik iets dat u minder aangenaam is!’

‘Wat zou dat wel kunnen zijn?’

‘Dat zult u direct zien!’ Lachend keek ik hem in de van woede flikkerende ogen.

‘Nu, laat het dan zien!’

‘Kijk dan! Hoe bevalt u dit lemmet?’

‘Niet kwaad, dat zal ik u bewijzen!’ In een wip had ik hem te pakken, trok zijn armen naar achteren, stak mijn linkerarm tussen zijn rug en zijn beide armen, drukte deze vast tegen mij aan en greep met mijn rechterhand zijn pols zo stevig vast, dat hij met een kreet van pijn het mes liet vallen. Deze onverwachte aanval had de kleine man zo van zijn stuk gebracht, dat zijn handen met de riem van zijn kogeltas op zijn rug gebonden waren, voordat hij een beweging van tegenstand had kunnen maken.

‘Damn it!’ riep hij. ‘Wat denkt u wel? Wat wilt u bijvoorbeeld met mij doen?’

‘Hallo, sir, neem u in acht en brul wat zachter!’ antwoordde ik hem met zijn eigen woorden van zo-even. ‘Op deze oude weide kun je nooit weten of er hier of daar geen oren zijn die niets hoeven te horen.’ Ik liet hem los en greep toen met een vlugge beweging het mes en zijn buks. Hij probeerde zijn handen los te wringen. De inspanning deed het bloed naar zijn hoofd stijgen, maar het lukte hem niet. De riem zat te vast.

‘Geduld, sir. U komt toch niet eerder los dan ik wil!’ raadde ik hem aan. ‘Ik wil u namelijk alleen bewijzen dat een bookmaker gewend is zo met mensen te praten, als zij het met hem doen. U trok uw mes tegen mij zonder dat ik u beledigd had of u iets anders had misdaan en volgens de wetten van de savanne bent u nu in mijn handen, zodat ik met u doen kan wat ik wil. Geen mens kan mij iets verwijten als ik u dit koude scherpe metaal tussen de ribben laat glijden in plaats van u mij, zoals u dit zo-even wilde doen.’

‘Stoot toe, man,’ antwoordde hij somber. ‘Ik vind het het beste dat u mij het levenslicht uitblaast, want om door één enkele tegenstander, man tegen man en op klaarlichte dag, overwonnen en gebonden te worden zonder dat ik in staat was hem een haar te krenken, is een schande die Sans-Ear niet graag overleeft.’

‘Sans-Ear? Bent u Sans-Ear?’ riep ik. Ik had veel van deze beroemde woudloper gehoord, die men maar zelden in gezelschap aantrof omdat hij nauwelijks iemand waardig keurde zich bij hem aan te sluiten. Vele jaren geleden was hij bij de Navajo’s zijn oren kwijtgeraakt en sinds die tijd droeg hij de merkwaardigerwijze uit twee talen samengestelde naam ‘Zonder oor’ waaronder hij bekend was zover de savanne reikte en nog verder.

Sans-Ear zweeg op mijn vraag en pas toen ik die herhaald had, antwoordde hij: ‘Mijn naam gaat u niets aan! Als ik een slechte naam heb, is hij niet waard genoemd te worden en als het een goede is, heeft hij verdiend dat ik hem voor de schande van dit ogenblik behoed!’

Ik trad op hem toe en maakte zijn kluisters los. ‘Hier hebt u uw mes en uw buks; u bent vrij! Gaat u daarheen waar het u belieft!’

‘Maak geen dwaze grappen!’ bromde hij. ‘Kan ik de schande achter mij laten, overwonnen te zijn door een greenhorn? Als het door een echte kerel was geweest zoals de rode Winnetou of zelfs zoals een spoorzoeker als Old Firehand of Old Shatterhand, ja dan…’

Ik had met de oude man te doen. De poets die ik hem had gebakken, ging hem werkelijk aan het hart en ik vond het prettig dat ik hem troosten kon, want hij had zojuist de naam genoemd waaronder ik bekend was geworden bij de kampvuren der blanken en in de wigwams der Indianen. ‘Een greenhorn?’ vroeg ik. ‘Gelooft u werkelijk dat een nieuweling het zou klaarspelen om de wakkere Sans-Ear een dergelijke poets te bakken?’

‘Wat bent u anders? U ziet eruit alsof u rechtstreeks uit een kledingmagazijn komt en uw wapens zijn zo glimmend gepoetst als men ze voor een gemaskerd bal vervaardigt!’

‘Maar ze zijn goed, dat zult u zien! Let op!’ Ik raapte een losse steen van de grond op ter dubbele grootte van een dollar, gooide hem hoog in de lucht, legde vlug aan en op het moment dat de kracht van de worp en de aantrekkingskracht van de aarde hem het hoogste punt lieten bereiken zodat hij bewegingloos in de lucht scheen te staan, trof mijn kogel hem en joeg hem nog hoger. Op dit schot had ik vroeger ontelbare malen geoefend voor het mij lukte. Het was een kunststukje dat toeschouwers verbluft deed staan. De kleine man keek mij dan ook aan met ogen waarin ik bijna een uitdrukking van ontsteltenis meende te zien.

Heavens, wat een schot! Lukt het u altijd?’

‘Negentien maal van de twintig.’

‘Dan bent u een uit duizend! Hoe is wel bijvoorbeeld uw naam?’

‘Old Shatterhand.’

‘Onmogelijk! Old Shatterhand moet veel ouder zijn dan u, anders zou men hem niet de “oude verpletterende hand” noemen.’

‘U vergeet dat het woord old zeer vaak anders gebruikt wordt dan om een leeftijd aan te geven.’

‘Dat is zo! Maar, hm, sir, neem het mij niet kwalijk: Old Shatterhand is door Winnetou in zijn hals gestoken…’[1]

‘Kijk maar – hier heb ik het litteken!’

‘Inderdaad! Daar zit het! … En … Old Shatterhand moet altijd twee geweren bij zich hebben, een berendoder en een Henry-buks.’

‘Hier hebt u ze!’

‘Behold, dan bent u dus toch Old Shatterhand! Hm, ik wil u iets vragen: Gelooft u dat ik bijvoorbeeld een ontzettende stomkop ben?’

‘Nee, dat geloof ik niet. U hebt alleen de fout gemaakt, mij voor een greenhorn aan te zien, verder niet. Van een nieuweling kon u zo’n aanval niet verwachten. Sans-Ear is alleen bij verrassing te overwinnen.’

‘Ho! U hebt, naar het schijnt, geen verrassing nodig. Er zullen maar weinig mannen bestaan die uw buffelkracht bezitten. Door u overrompeld te worden, is geen schande. Laten wij dus vriendschap sluiten. Mijn werkelijke naam is Mark Jorrocks en als je mij een plezier wilt doen, noem mij dan Mark!’

‘En jij mij Charley, zoals al mijn vrienden doen. Hier is mijn hand!’

‘Top! Graag, sir! De oude Mark is niet iemand die iedereen meteen de hand schudt. Bij jou evenwel sla ik ogenblikkelijk toe. Maar wat ik je bidden mag, maak het niet te bont, zodat je mijn hand meteen tot moes knijpt! Ik heb hem nog nodig.’

‘Wees maar niet bang, Mark! Je hand zal mij nog menige dienst bewijzen evenals de mijne bereid is dat jou te doen. Maar nu mag ik wel mijn eerste vraag voor de tweede keer stellen: Vanwaar en waarheen?’

‘Ik kom zo’n beetje uit Canada afzakken, waar ik de lumber-jacks[2] gezelschap heb gehouden en nu wil ik bijvoorbeeld naar Texas en Mexico, waar zoveel schurken moeten rondlopen dat iemand al bij voorbaat geniet bij de gedachte aan de kogels en messteken die hij daar kan verwachten.’

‘Die kant moet ik ook uit! Ik wil Winnetou namelijk weer treffen aan de Rio Pecos. Daarna wil ik ook naar Texas en Californië en daarbij maakt het mij niets uit om een kleine omweg te maken over Mexico. Mag ik mee?’

‘Of je mag? En hoe! Je bent al in het zuiden geweest, heb ik gehoord[3], en daarom juist de man die ik nodig heb. Maar vertel mij nu eens in ernst: Maak je werkelijk boeken?’

‘Ja.’

‘Hm! Als Old Shatterhand dat doet, moet het toch iets anders zijn dan ik me heb voorgesteld. Maar ik verzeker je dat ik liever onvoorziens en ruggelings in een berenhol val, dan een pen in de inkt te dopen. Ik zou mijn leven lang nog geen woord op papier kunnen krijgen. Maar nu in ernst. Gisteren kruiste ik sporen die niet mis waren. Ik telde wel zestig paarden.’

‘Dat zullen wel Ogellalla’s zijn geweest die achter mij aan zitten.’

Toen vertelde ik hem wat mij was overkomen.

Daarop zei hij: ‘Ze zullen je zeker wel willen villen, want ik heb ook gehoord hoe je ze bij de Yellowstone te pakken hebt gehad[4]. Deze groep moet zich op ongeveer dertig mijl ten westen van ons bevinden. Wij gaan hun uit de weg en kunnen het beste recht op het zuiden aanhouden, hoewel wij dan pas morgen op water zullen stuiten. Als we vlug opbreken, bereiken we nog voor het vallen van de nacht de spoorbaan die ze net van het Oosten uit tot diep in het Westen hebben doorgetrokken, en als we het met de tijd treffen, kunnen wij het genoegen beleven een trein te zien, die ons bijvoorbeeld voorbij rijdt.’

‘Ik ben bereid op te breken. Maar wil je mij vertellen waar je je oren bent kwijtgeraakt?’

‘Dat is gauw verteld. Eens was ik zo onhandig om mij door roodhuiden te laten pakken. Ik had verscheidene van hen gedood. Eén echter sloeg ik het oor af in plaats van hem werkelijk met mijn tomahawk te treffen. Daarom sneden zij mij uit spot de oren af, voordat ze mij van het leven zouden beroven. Mijn oren hebben ze, maar mijn leven niet, want Mark wist onverwacht los te komen en ervandoor te gaan.’ Hij had zijn buks weer opgenomen. Het was een van die merkwaardige schietijzers, zoals men ze in de prairie niet zelden vindt: de lade heeft haar oorspronkelijke vorm verloren. Kerf zit naast kerf, inkeping naast inkeping. Elk van deze merktekens herinnert aan de dood van een vijand. De loop is met een dikke laag roest overdekt en schijnt krom getrokken te zijn. Geen vreemde is in staat daarmee ook maar een behoorlijk schot te lossen.

Maar in de hand van de eigenaar is zo’n buks onfeilbaar. Hij is er een mensenleven lang mee vertrouwd, kent er alle voordelen van, al zijn grillen en gebreken en als hij een kogel afschiet, verwedt hij er zijn ziel en zaligheid onder dat hij doel treft.

‘Tony!’ riep de kleine man. De merrie had tot dat ogenblik in de nabijheid gegraasd. Op zijn roep kwam ze naar hem toe gesprongen en ging zo naast hem staan dat hij enkel zijn arm omhoog behoefde te steken om op te kunnen springen.

‘Mark, je hebt een voortreffelijk paard! Wie het voor het eerst ziet, zal er nog geen dollar voor bieden, maar wie het nauwkeuriger bekijkt, bemerkt al gauw dat je het nog voor geen vijfhonderd dollar kwijt zou willen.’

‘Vijfhonderd? Pshaw! Zeg maar duizend! Ik weet ginds in het Rotsgebergte aders te vinden, waar ik het goud bij schepels uit zou kunnen halen en als ik iemand tref die het waard is dat Mark Jorrocks hem werkelijk graag mag, zal ik die deze placers laten zien. Dus voor geld hoef ik Tony niet weg te doen. Ik zal je dit zeggen, Charley: de man die ze nu Sans-Ear noemen, was eens een heel andere vent dan nu; vol geluk en blijmoedigheid zoals de dag vol licht en de zee vol druppels is. Hij was een jonge farmer en had een vrouw voor wie hij duizend levens had willen offeren, en een kind dat hem tienduizend levens waard was. Eens had hij die vrouw op zijn beste merrie in zijn huis gebracht – de merrie die Tony heette. En toen de merrie naderhand een veulen wierp, gezond, monter en schrander zoals een schepsel maar zelden is, waarom zou dat dan ook niet Tony heten, evenals zijn moeder? Is dat niet zo, Charley?’

‘Ja,’ antwoordde ik, diep getroffen door de kinderlijkheid van gemoed die zo onverwacht uit zijn woorden sprak.

Well! Toen kwam een bende bushheaders[5] destijds de omgeving onveilig maken. Ze staken mijn farm in brand, vermoordden mijn vrouw en kind, schoten mijn merrie neer waaraan zij niets hadden omdat zij geen vreemde op haar rug verdroeg; alleen het veulen ontkwam doordat dit juist afgedwaald was. Ik kwam van de jacht terug en vond het dier als enige getuige van mijn verloren geluk. Wat is er nog meer te vertellen? Acht van de schurken zijn gevallen, gevallen door mijn hand, door kogels uit deze buks. De laatste twee komen mij ook nog in handen, want wiens spoor de oude Sans-Ear volgt, kan weglopen tot aan de Mongolen toe. Hij ontkomt niet. Juist daarom wil ik naar Texas en Mexico. Uit de jonge, montere farmer is een grijze woud- en prairieloper geworden, die enkel nog op bloed en wraak uit is; en het veulen is veranderd in een wezen dat meer lijkt op een geitenbok dan op een goed paard. Maar tot dusver zijn beide nog flink en zij zullen met elkaar uitdienen tot een pijl snort, een kogel fluit, of een tomahawk neer suist om een eind te maken aan een van beide. De andere – of het nu het paard is of de man – sterft dan van verdriet en heimwee.’ Sans-Ear streek met de hand over zijn ogen.

Toen sprong hij op zijn paard en zei: ‘Tot zover over die oude geschiedenis, Charley. Jij bent de eerste met wie ik erover praat, ofschoon ik je vandaag voor het eerst heb gezien – en je zult ook wel de laatste zijn. Jij hebt over mij horen spreken en over jou werden verhalen verteld, als ik eens zin had om een kwartiertje aan het een of ander kampvuur aan te schuiven. Met mijn verhaal wilde ik je dan ook tonen dat ik je niet voor een vreemde houd. Doe me alleen nog het genoegen te vergeten dat ik me door jou heb laten overrompelen! Ik zal proberen je te bewijzen dat de oude Mark Jorrocks desondanks nog steeds op zijn post is.’

Ik maakte de poten van mijn mustang los en steeg eveneens op.

Jorrocks had gezegd dat wij op het zuiden zouden aanhouden, maar hij reed recht naar het westen. Ik vroeg hem niet naar de reden. Ik wist dat hij handelde volgens een weloverwogen plan.

Wij hadden al een flink eind afgelegd zonder een woord te wisselen, toen hij zijn paard inhield. Hij steeg af, opende een oude zadeltas en nam er acht sterke lappen uit waarvan hij mij de helft gaf. ‘Hier Charley, stijg af en omwikkel de hoeven van je mustang! Ze laten dan op deze bodem niet het geringste spoor achter en eventuele vijanden moeten wel denken dat wij in de lucht verdwenen zijn. Nu rij je recht naar het zuiden tot je aan de spoorbaan komt – daar wacht je op mij! Ik kom dan bijvoorbeeld achter je aan. Treffen doen we elkaar beslist, maar zouden we ons toch een klein stukje vergist hebben, dan geldt als herkenningsteken overdag de kreet van een gier en bij nacht het gehuil van een coyote.’

Vijf minuten daarna waren wij uit elkaars gezicht. In gepeins verzonken reed ik in de voorgeschreven richting. De hoefbekleding van mijn paard verhinderde een flinke draf. Daarom steeg ik af toen ik ongeveer vijf Engelse mijlen had gereden en deed de lappen weg. Ze hadden alleen gediend om onze sporen in de omtrek van onze plaats van ontmoeting onzichtbaar te maken.

Nu kon mijn mustang weer opschieten. De prairie werd allengs vlakker en vertoonde hier en daar noten- en wilde kersenstruiken en nog stond de zon boven de westelijke horizon toen ik in het zuiden een streep bemerkte die bijna recht oost-west liep. Zou dit de bedoelde spoorbaan zijn? Ongetwijfeld. Ik reed erop af en vond mijn verwachtingen bevestigd. De spoorbaan waarvan de rails zich op een bijna manshoge dijk uitstrekten, lag voor mij. Een eigenaardig gevoel bekroop me, weliswaar vaag, maar begrijpelijk. Hier kwam ik na maanden weer in contact met de beschaving. Bij het naderen van de trein behoefde ik maar een teken te geven om in te kunnen stappen en naar het westen of oosten te reizen. Maar voor mij was deze gedachte niet verleidelijk; zo stevig hield de betovering van de prairie mij gevangen.

Nadat ik mijn paard met mijn lasso had vastgezet, zocht ik onder de struiken naar dor hout voor een kampvuur. Een van de struiken stond tegen het talud van de spoordijk aan. Ik bukte me om wat takken bijeen te rapen en zag tot mijn verbazing een hamer liggen. Deze kon hier pas korte tijd gelegen hebben, want het platte gedeelte van de kop was blank, dus nog pas kort geleden in gebruik geweest, en noch de voorkant, noch de klauw vertoonde ook maar een spoortje van de roest die er zeker op gezeten zou hebben als dit stuk gereedschap enige dagen aan de vochtigheid van de nachtelijke dauw was blootgesteld geweest. Er moesten zich hier vandaag of hoogstens gisteren mensen hebben opgehouden.

Eerst onderzocht ik deze kant van de dijk, maar vond niets bijzonders. Toen klom ik er bovenop en zocht weer een hele poos vruchteloos. Ten slotte ontdekte ik een pol geurig, omgekruld grammagras dat mij opviel als iets zeldzaams in deze streek. Ik bekeek het nauwkeuriger en deed een verrassende ontdekking. Waarachtig, er had een voet op gestaan! Het spoor was nog vers, hoogstens twee uur oud. De halmen die door de zoolrand omgebogen waren geweest, hadden zich weer opgericht, terwijl het gedeelte van de pol dat door de zool was neergedrukt, nog duidelijk de hiel- en teenindrukken vertoonde.

Het spoor was door een Indiaanse mocassin veroorzaakt.

Zouden er Indianen in de nabijheid zijn? Hoe moest ik hen dan met de hamer in verband brengen? Dragen ook blanken niet Indiaanse mocassins en kon niet een railroader[6] die het baanvak afliep, deze gemakkelijke soort schoenen gedragen hebben? Hoe dan ook, ik mocht mij niet door vermoedens proberen gerust te stellen. Zekerheid was in dit geval geboden.

Ik besefte wel degelijk dat een onderzoek van de omtrek uitermate gevaarlijk was. Aan beide kanten van de spoordijk kon achter elk bosje een vijand op de loer liggen en op de spoorbaan zelf was ik van heel veraf te zien. Onder andere omstandigheden zou ik me wat de hamer betreft weinig ongerust hebben gemaakt en zonder aarzelen op verkenning zijn gegaan.

Maar nu ik wist dat de Ogellalla’s in de omtrek waren, was zelfs, bij het minste of geringste de grootste omzichtigheid geboden. Ik hing mijn geweren om en nam alleen mijn revolver ter hand. Van bosje tot bosje sluipend, legde ik een heel eind af – zonder resultaat! Ik keerde dus tot het uitgangspunt van mijn verkenningstocht terug. Ik was in westelijke richting gegaan, van de plaats uit waar mijn paard graasde. Nu zette ik mijn speurtocht in oostelijke richting voort, in het begin even vruchteloos. Toen wilde ik voorzichtig over de spoorbaan heen.

Op handen en voeten kroop ik dwars over de rails. Plotseling viel het mij op dat op deze plek de steenslag cirkelvormig op de spoorbaan was neergelegd. Maar zo werkten de railroaders immers niet bij reparaties. Ik wroette er met mijn vingers in en schrok. Mijn hand was bloedrood gekleurd en ook de steenslag was rood en nat. Ik lag nu plat op de grond en onderzocht het geval nauwkeuriger, en ik moest wel tot de conclusie komen dat een grote diepe bloedplas met puin was bestrooid.

Hier was een moord gepleegd. Dat stond vast. Het bloed van een dier zouden ze niet zo hebben trachten te verbergen. Nu was de vraag: wie was de vermoorde en wie de moordenaar? Bovenop de dijk was geen voetspoor te zien; de bodem daar was te hard om een afdruk te vertonen. Maar toen ik mijn blik over het met buffelgras begroeide talud liet gaan, ontdekte ik verscheidene voetsporen en ook twee doorlopende sporen alsof men een mens wiens voeten hem nasleepten, bij het bovenlichaam had vastgehouden en zo de dijk had afgetrokken.

Het was zeer gevaarlijk op deze plek de dijk over te steken. De sporen waren nog zo vers dat de vermoedelijke moord pas kortgeleden gepleegd moest zijn en de moordenaars nog in de nabijheid konden zijn. Ik kroop er daarom aan dezelfde kant weer af en liep een vrij groot stuk naar het westen, ging daar de dijk over en sloop aan de overkant terug naar het oosten.

Alles ging erg langzaam omdat ik alle list en voorzichtigheid in acht moest nemen om ongezien te blijven, ingeval er gevaar in de nabijheid dreigde. Gelukkig stonden de struiken hier dichter op elkaar en ook al moest ik mij achter elk bosje verschuilen en het volgende zo scherp mogelijk met mijn ogen doordringen, voor ik de sprong kon wagen over de ruimte ertussenin, of deze als een slang moest doorkruipen, toch kwam ik zonder ongelukken onderaan de plek waar ik op de dijk het bloed had gevonden.

Dicht struikgewas stond tegenover de kersenstruiken waarachter ik spiedend lag, met een open stuk grond van ongeveer acht meter ertussenin. Hoezeer de kersenstruiken mij het duidelijke zicht ook beletten en hoe dicht het kreupelhout ook was, toch leek het mij dat er iets als een menselijke gestalte onder lag, al of niet bedekt. Was daar misschien de vermoorde verborgen? Het kon ook een van de moordenaars zijn. Ik moest proberen dat uit te vinden.

Behoedzaam nam ik een tak van de grond, spietste daar mijn hoed op en schoof hem door de kersenstruiken vooruit terwijl ik met opzet enig gedruis veroorzaakte, zodat het aan de overkant moest lijken dat iemand trachtte hier doorheen te dringen.

In het tegenovergestelde bosje bewoog zich niets. Of er was geen vijand, of ik had er met een te doen die te sluw was en te veel ervaring had om zich door zo’n foefje te laten misleiden.

Toen besloot ik om maar alles te wagen. Ik kroop terug en nam een spurt. In een paar sprongen was ik het open stuk grond over en drong, mijn mes open in de hand, de struiken binnen. Onder afgebroken takken lag een mens, dat voelde ik meteen, maar hij leefde niet meer. Ik tilde de takken op en keek in een, door de stuiptrekkingen des doods afschuwelijk verwrongen gezicht met een bloedige schedel. Een blanke. Hij was gescalpeerd en volledig ontkleed. Bij een onderzoek van het lichaam ontdekte ik in de rug een afgebroken pijlpunt met weerhaken.

Hadden de roodhuiden zich verwijderd of waren ze nog in de buurt? Dat moest ik weten. Van hieruit waren hun sporen duidelijk te zien; ze liepen vanaf de spoordijk de prairie in.

Ik volgde ze, er steeds op voorbereid een pijl in mijn lichaam te krijgen of mijn mes te moeten gebruiken, van bosje naar bosje. Er waren vier mannen geweest, twee bejaarde en twee jongelieden, zoals ik uit de grootte der voetsporen kon concluderen. Ze moesten zich hier heel gerust hebben gevoeld, want zij hadden in het geheel niet geprobeerd hun spoor te verbergen, terwijl ik mij voortbewoog op mijn vingertoppen en teenspitsen – een manier die grote oefening en een niet onbeduidende kracht vereist.

De wind was zuidoost; ik had hem dus tegen. Daarom schrok ik niet erg toen ik het snuiven van een paard waarnam. Het kon mij niet hebben geroken. Ik kroop verder en bereikte eindelijk mijn doel, of ontdekte in elk geval genoeg om mij terug te kunnen trekken. Voor mij, tussen de struiken, stonden ongeveer zestig paarden, die allemaal, op twee na, op Indiaanse wijze waren opgetuigd. Men had er de zadels afgenomen, blijkbaar om ze in de nabije kampplaats als zetel of als hoofdkussen te gebruiken. Bij de dieren stonden maar twee mannen op wacht. De ene, een jonge man, had een paar stevige leren laarzen aan, dat stellig het eigendom van de vermoorde man was geweest, wiens kleren en bezittingen vermoedelijk onder de moordenaars waren verdeeld. De schildwacht zou dus wel tot de vier behoren wier sporen mij hierheen hadden gebracht.

De Indiaan gaat vaak om met blanken die zijn taal niet verstaan. Om die reden was er tussen de rode mannen en de bleekgezichten een gebarentaal ontstaan, die iedereen die in het Wilde Westen komt, moet kennen. Bij iemand met een levendig karakter of bij opwindende gebeurtenissen komt het dan dikwijls voor dat men onwillekeurig zijn mondelinge uitdrukkingen begeleidt met gebaren die dezelfde betekenis hebben als zijn woorden. De twee bewakers onderhielden zich met elkaar en het onderwerp van gesprek moest hen wel zeer boeien, want zij gedroegen zich op een wijze die hun beslist de afkeuring van oudere krijgers op de hals gehaald zou hebben. Zij wezen naar het westen, gaven het teken voor vuur, voor een paard, dus een locomotief die door de Indianen immers ‘vuurpaard’ genoemd wordt, stampten met hun bogen op de grond alsof zij de grond open hakten of zware hamerslagen uitvoerden, mikten als bij het schieten en maakten de bewegingen van steken met een mes en zwaaien met de tomahawk. Ik had genoeg gezien en keerde schielijk terug, terwijl ik mijn sporen zo goed mogelijk uitwiste.

Daardoor duurde het lang voor ik mijn paard weer bereikte.

Het had intussen gezelschap gekregen, want bij hem graasde de merrie van Mark die zelf op zijn gemak achter een bosje lag te kauwen op een enorm stuk gedroogd vlees.

‘Hoeveel zijn het er, Charley?’ vroeg hij mij.

‘Wie?’

‘Indsmen.’

‘Hoe kom je daarbij?’

‘De oude Sans-Ear schijnt jou zeker een greenhorn toe, zoals jij hem in het begin? Maar dan vergis je je toch geweldig, ha ha ha!’ Het was het halfluide, zelfbewuste lachen dat ik reeds eenmaal van hem had gehoord en dat hij nu liet horen omdat hij zich de meerdere voelde van een ander.

‘Hoezo, Mark?’ informeerde ik.

‘Moet ik dat nog zeggen, Charley? Wat had je gedaan als je hier was aangekomen en die hamer daar bij het paard had gevonden, maar niet je reisgezel?’

‘Ik had gewacht tot hij teruggekeerd was!’

‘Zo? Dat kan ik bijvoorbeeld niet helemaal geloven. Jij was niet hier toen ik arriveerde. Er kon je iets zijn overkomen en dus ging ik je na.’

‘Maar ik had ook wel iets onder handen kunnen hebben dat door jouw aanwezigheid verijdeld werd. Bovendien denk ik dat Old Shatterhand niets onderneemt zonder daarbij de nodige voorzichtigheid te betrachten. Hoe ver ben je me gevolgd?’

‘Eerst hierheen, daarna daarheen en ten slotte naar de arme man die de Indsmen hebben vermoord. Ik kon het vlug klaarspelen, want ik volgde je spoor. Toen ik de dode zag, begreep ik dat je enkel op verkenning uit was en keerde hierheen terug, waar ik bijvoorbeeld rustig op je heb zitten wachten. Dus, met hoevelen zijn ze?’

‘Misschien zestig man.’

‘Kijk eens aan! Dus kennelijk de troep waarvan ik gisteren het spoor ontdekte. Kortstondig kamp?’

‘Ze hebben de paarden ontzadeld.’

‘Bliksems! Dan gaat het niet alleen om jou, maar zijn ze hier iets van plan! Heb je niets gezien?’

‘Mij lijkt het dat ze de rails willen opbreken zodat de trein verongelukt en zij hem dan kunnen beroven.’

‘Ben je helemaal, Charley? Dat zou uitermate gevaarlijk zijn voor de railroaders plus hun passagiers! Hoe weet je dat?’

‘Ik heb de roodhuiden beluisterd.’

‘Dan versta je dus de taal der Ogellalla’s?’

‘Ja. Maar dat was niet eens nodig, want de wacht bij de paarden, in welks nabijheid ik kwam, sprak in duidelijke gebarentaal.’

‘Dat is soms bedrieglijk. Beschrijf eens de gebaren die je hebt gezien!’

Dat deed ik. De kleine man sprong op, beheerste zich echter en ging weer zitten. ‘Dan heb je ze goed verstaan en moeten wij de trein te hulp komen. Maar wij moeten bijvoorbeeld niet overijld te werk gaan, want zulke belangrijke zaken moeten rustig overlegd en besproken worden.’

‘De hoofdzaak is,’ merkte ik op, ‘te weten welke trein zij willen overvallen. Het zou treurig zijn als wij de verkeerde bij de kop hadden.’

‘Naar hun gebaren te oordelen, bedoelen zij de mountain-trein die uit het westen komt en dat verwondert mij. De trein uit het oosten vervoert immers veel meer goederen en dingen die de Indsmen kunnen gebruiken, dan de andere. Er zal ons wel niets anders overblijven dan dat onze wegen zich scheiden. Een van ons gaat in de richting van de morgen, de andere van de avond.’

‘Daartoe zijn wij zeker gedwongen als het ons niet lukt zekerheid te verkrijgen. Als wij maar wisten hoe en wanneer de treinen lopen!’

‘Wie kan dat nu weten? Ik heb van mijn leven nog niet in zo’n ding gezeten dat ze wagon noemen en waarin men van angst niet weet in welke richting men zijn benen moet uitstrekken. Geef mij maar de prairie en mijn Tony! … Heb je de Indsmen nog niet aan het werk gezien?’

‘Nee. Ik heb alleen maar de paarden gezien. Maar uit alles was op te maken dat het hun bekend is wanneer de trein voorbijkomt en het ziet er naar uit dat ze voor het invallen van de duisternis niet aan het werk zullen gaan. Over hoogstens een half uur valt de schemering in. Dan besluipen wij hen en ontdekken misschien wat wij nog niet weten.’

Well, laten we dat hopen!’

‘Maar dan is het nodig dat een van ons de dijk op gaat. Het zou mogelijk kunnen zijn dat het in de roodhuiden opkomt de trein van de andere kant aan te vallen. Ik denk wel dat zij in onze richting de rails zullen opbreken, daar zij de plaats vanwaar zij de overval ondernemen, tussen hun kamp en de trein in gereedheid moeten brengen.’

‘Dat is juist. Maar boven op post staan is niet nodig, Charley. Kijk maar eens naar Tony! Ik zet haar nooit vast. Zij is een bijzonder schrander dier en heeft een neus waarop ik mij verlaten kan. Heb je al eens een paard gezien dat niet snuift wanneer het een vijand ruikt?’

‘Nee.’

‘Nu, er bestaat er ook maar een zo en dat is Tony. Het gesnuif waarschuwt weliswaar de baas van het paard, maar het verraadt twee dingen: ten eerste, waar het dier en de man zich bevinden, en ten tweede, dat de man gewaarschuwd is. Daarom heb ik het Tony afgeleerd en dit slimme dier heeft mij goed begrepen. Ik laat haar altijd vrij grazen en zodra zij gevaar bespeurt, komt zij naar mij toe en stoot me aan met haar snoet.’

‘En als zij nú juist eens niets merkt?’

‘Pshaw! De wind is naar ons toe en je mag me op slag neerschieten als Tony niet elke roodhuid op een kilometer afstand aankondigt. Overigens hebben die kerels ogen als adelaars en zelfs als je languit op de dijk gaat liggen, is het mogelijk dat ze je van verre ontdekken. Blijf dus maar rustig hier, Charley!’

‘Je hebt gelijk en ik zal Tony evenveel vertrouwen schenken als jou. Ik ken haar nog niet lang, maar ik heb toch bijna de overtuiging dat je op haar kunt rekenen.’

Ik haalde weer een van mijn sigaren te voorschijn en stak er de brand in. Mark sperde zijn kleine oogjes en zijn mond wijd open. Zijn neusvleugels verwijdden zich en snoven de geur van het kruid begerig in, terwijl zijn gezicht oplichtte van verrukking. De westman is niet vaak in de gelegenheid om goede tabak te proeven en is toch meestal een hartstochtelijk roker.

‘O, wonderful, Charley! Heb je sigaren?’

‘Vanzelfsprekend! Opsteken?’

‘Hier ermee! Jij bent een kerel waarvoor men een hele kalebas[7] vol achting moet hebben!’ Hij stak zijn sigaar aan de mijne aan, inhaleerde op Indiaanse wijze en blies toen een rookwolk uit die wel uit zijn maag moest komen. Zijn gezicht straalde een verrukking uit alsof hij opgevaren was naar de zevende hemel van Mohammed.

‘Hang it all, is me dat een genot! Zal ik eens raden wat voor soort die tabak is, Charley?’

‘Raad maar! Ben je kenner?’

‘En of!’

‘Nu?’

‘Goosefoot uit Virginia of Maryland!’

‘Nee!’

‘Niet? Dan vergis ik mij voor het eerst van mijn leven. Goosefoot is het, want deze reuk en die smaak ken ik!’

‘Die is het niet.’

‘Dan is het zeker Braziliaanse legitimo!’

‘Ook niet.’

‘Curacao uit Bahia?’

‘Weer niet.’

‘Nu, wat dan?’

‘Bekijk die sigaar maar eens!’ Ik haalde er nog een te voorschijn, draaide hem uit elkaar en reikte hem toen dekblad en binnengoed toe. ‘Ben je gek, Charley, om zo’n sigaar te vernielen! Elke pelsjager geeft er bij gelegenheid, namelijk als hij in lang niet heeft gerookt, een of twee bevervellen voor!’

‘Ik krijg binnen twee of drie dagen weer nieuwe.’

‘Binnen drie dagen?… Nieuwe?… Waar vandaan dan wel?’

‘Uit mijn fabriek.’

‘Wat? Heb je een sigarenfabriek?’

‘Ja.’

‘Waar dan?’

‘Daar!’ Ik wees op mijn mustang.

‘Charley, alsjeblieft, maak bijvoorbeeld een grap als er wat aan is!’

‘Het is geen grap, maar de waarheid.’

‘Hm! Als je niet Old Shatterhand was, zou ik werkelijk denken dat je iets te veel of te weinig in je hoofd had.’

‘Bekijk eerst de tabak maar eens!’ Jorrocks deed het heel zorgvuldig.

‘Die ken ik niet. Maar goed is hij, uitmuntend zelfs.’

‘Nu zal ik je mijn fabriek laten zien.’ Ik ging naar mijn mustang, maakte het zadel los en trok er een kussentje onderuit, dat ik open deed. ‘Grijp daar eens in!’ Mark nam er een handvol bladeren uit.

‘Charley, hou mij niet voor de gek! Dat zijn louter kersen- en lentiskebladeren!’

‘Juist. Er is ook een beetje wilde hennep bij en het dekblad is niets anders dan een ossentongvormig blad dat ze hier Verhally noemen. Dit kussen is inderdaad mijn tabaksfabriek. Als ik goede bladeren van deze soort vind, vergaar ik er zoveel van als ik nodig heb, doe ze in het kussentje en leg dat onder mijn zadel. Er ontwikkelt zich warmte en de bladeren fermenteren – dat is het geheim van mijn kunst!’

‘Ongelofelijk!’

‘Maar waar! Zo’n sigaar is toch eigenlijk nog een stumperig surrogaat en in het oosten zal elke roker van tabaksstelen, wiens gehemelte zo taai is als buffelleer, hiervan hoogstens één trek nemen en hem dan weggooien. Maar als je lang in de savanne ronddoolt en er dan zo een rookt, komen je de ossentongbladeren voor als de beste goosefoot. Dat bewijst je eigen voorbeeld.’

‘Charley, je stijgt in mijn achting!’

‘Laat er alleen niets van blijken als je bij mensen zit die nog nooit in het Westen zijn geweest! Anders houden ze je voor een Toengoes, een Kirgies of Oostjaak, die zijn smaak- en reukorganen met teer ingesmeerd of met pek dichtgeplakt heeft!’

‘Toengoes of Oostjaak, mij om het even, als de sigaar maar smaakt. Overigens weet ik niet waar deze soort mensen te vinden is.’

Hij liet zich het genot niet in het minst ontnemen door de onthulling van mijn fabrieksgeheim, maar rookte de sigaar op tot aan het peukje dat hij nog nauwelijks tussen zijn lippen kon houden.

Onderwijl was de zon ondergegaan. De schemering was gevallen en het begon zo donker te worden dat wij ons met onze plannen konden gaan bezighouden. ‘Nou?’ vroeg Mark.

‘Ik ben gereed.’

‘Hoe dan?’

‘Wij gaan samen tot aan de paarden der roodhuiden. Dan gaan wij elk een kant uit, besluipen hun kamp en komen daarna weer samen.’

‘Goed! En mocht er iets gebeuren dat ons op de vlucht jaagt, waarbij wij elkaar zouden kunnen kwijtraken, dan komen wij recht van hieruit, in het zuiden bij het water, weer bij elkaar. De uiterste punt van een oerwoud langs de berghellingen loopt daar tot ver in de prairie. Twee mijl van dit punt is aan de zuidelijke rand van het woud ten inham in de prairie, waar wij elkaar gemakkelijk kunnen terugvinden.’

‘Goed, dan gaan we!’

Het leek mij niet waarschijnlijk dat wij elkaar kwijt zouden raken, maar de voorzichtigheid gebood om op alles te zijn voorbereid.

pdf to jpg   PDF to JPG   Flash Map